Verdeling stemrecht.
Op 7 februari kregen alle lokale besturen een brief van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed om criteria voor te stellen voor de verdeling van de stemrechten over de lokale besturen die deel uitmaken van het werkingsgebied van de nieuwe woonmaatschappij.
Elk lokaal bestuur kan een advies verlenen aan de Vlaamse Regering, uiterlijk 13 mei 2022, via een beslissing van de gemeenteraad.
De Vlaamse Regering moet bij de verdeling van de stemrechten in elk geval rekening houden met de volgende twee objectieve criteria:
maar zij kan ook rekening houden met bijkomende criteria die door de gemeenten worden voorgesteld, evenals met het advies van de gemeenten over het gewicht dat aan elk criterium wordt gehecht.
Dit is vastgelegd in de Vlaamse Codex Wonen, die ook bepaalt dat de gemeenten en OCMW’s in het werkingsgebied van de woonmaatschappij samen altijd over meer dan 50% van het totale aantal stemrechten beschikken die verbonden zijn aan de aandelen.
De lokale besturen zijn niet verplicht om bijkomende criteria voor te stellen of zelf een gewicht voor te stellen dat aan de 2 verplichte criteria moet worden gegeven. Bij het ontbreken van een advies wordt ervan uitgegaan dat de lokale besturen akkoord gaat met de keuze van de Vlaamse Regering, die zich in dat geval zal baseren op de 2 criteria met een gewicht van 50% elk.
Op het CBS van Halle, Beersel en Sint-Pieters-leeuw werd reeds een visienota goedgekeurd betreffende de nieuwe woonmaatschappij. Het volgende voorstel werd door deze gemeenten reeds ingediend:
“Voor de verdeling van de stemrechten tussen de lokale besturen zullen de objectieve criteria zoals gecommuniceerd in de omzendbrief van 10/09/2020 betreffende het Vlaams regelgevend – en implementatietraject worden gehanteerd namelijk het gewogen gemiddelde van de volgende drie componenten:
• Het aantal sociale huurwoningen op het grondgebied van het lokaal bestuur (60%)
• Het aantal m² bebouwbare reservegronden op het grondgebied van het lokaal bestuur (10%)
• Het aantal huishoudens op het grondgebied van het lokaal bestuur (30%).”
Op het intergemeentelijk overleg op 25 maart met de 7 gemeenten die zullen toetreden tot de nieuwe woonmaatschappij werd het standpunt verdedigd om de objectieve criteria te hanteren zoals oorspronkelijk gecommuniceerd door Wonen-Vlaanderen, namelijk de drie criteria.
Op basis van deze criteria worden de stemrechten in de algemene vergadering verdeeld tussen de 7 lokale besturen. Deze verdeling wordt ook doorgetrokken naar de vertegenwoordiging in de raad van bestuur van de woonmaatschappij.
Gezien er in de nieuwe woonmaatschappij enkele gemeenten geen bestuurder kunnen afvaardigen in de raad van bestuur bij het hanteren van deze criteria, kunnen deze gemeenten een waarnemer aanstellen met een raadgevende stem. Deze raadgever zal steeds aanwezig kunnen zijn en gehoord kunnen worden op de vergadering van de raad van bestuur van de woonmaatschappij. Dit recht is gelijk aan het hoorrecht van de andere bestuurders.
Indien één van de zeven besturen dit consensus-voorstel niet zou goedkeuren, zal het voorstel van de Vlaamse Regering gevolgd worden, die zich in dat geval zal baseren op de 2 criteria met een gewicht van 50% elk. Echter zonder leden met een raadgevende stem.
De huidige lokale besturen vertegenwoordigd in Woonpunt Zennevallei adviseren dat er van elke gemeente minstens één afgevaardigde deel uitmaakt van het schepencollege en de bevoegdheid heeft over wonen, inclusief de raadgevers. Op deze manier wordt er voort gebouwd op een goede gewoonte aangezien momenteel de lokale besturen vertegenwoordigd in de raad van bestuur van Woonpunt Zennevallei, ook minstens één lid van het college van burgemeester en schepenen afvaardigen. Op die manier worden de beslissingen die genomen worden door de nieuwe woonmaatschappij ook politiek gedragen.
Het besluit van de Vlaamse Regering voorziet dat de gemeente uit het werkingsgebied om een aanpassing van de verdeling van de stemrechten kunnen verzoeken in het eerste jaar dat volgt op de aanstelling van de nieuwe raad van bestuur na gemeenteraadsverkiezingen. Gemeenten die inspanningen leveren om extra sociale woningen op hun grondgebied te realiseren kunnen hierdoor een belangrijke rol toebedeeld krijgen bij de start van een volgende bestuursperiode.
Toewijzingssysteem.
In de nieuwe woonmaatschappij zal er gewerkt worden met een nieuw toewijzingssysteem. Een woning kan worden toegewezen binnen deze 4 pijlers:
1) Standaardtoewijzing
2) Versnelde toewijzing
3) Toewijzing aan specifieke doelgroep
4) Toewijzing naar aanleiding van interne mutaties of bijzondere toewijzingsregels
Binnen de standaardtoewijzing komt er een strengere lokale bindingsvoorwaarde. De kandidaat-huurder dient in de afgelopen 10 jaar minimaal 5 jaar ononderbroken in de gemeente gewoond te hebben om voorrang te genieten. De toewijsraad kan enkel strengere lokale bindingsvoorwaarden opleggen. De voorrangsregels met betrekking tot lokale binding zijn niet van toepassing op de toewijzingen in categorie 2.
Dit wil zeggen dat het huidige cascade systeem niet gehandhaafd kan worden. De meerderheid van de lokale besturen in het werkingsgebied van de woonmaatschappij hebben destijds bewust gekozen voor een gemeentelijk toewijzingsreglement op basis van lokale binding. Het belang en de noodzaak ervan is sindsdien niet afgenomen. Vandaar de oproep om het huidige cascadesysteem te mogen combineren met de nieuwe regel van minimaal 5 jaar (in de laatste 10 jaar) ononderbroken gewoond te hebben in de gemeente. Deze lokale bindingsregels kunnen met elkaar gerijmd worden. Het voordeel van het cascadesysteem is dat de meest kwetsbare onder de kandidaat-huurders ook kunnen genieten van hun sterke lokale binding bij een toewijzing en niet gelijk worden gesteld (zoals in het nieuwe systeem) met kandidaten zonder lokale binding.
In het huidige systeem wordt er achtereenvolgens voorrang gegeven aan (optelsom van domicilie adres kandidaat-huurder):
De sociale huisvestingsmaatschappij en minstens de lokale besturen vertegenwoordigd in haar raad van bestuur, wensen dit cascadesysteem te blijven inzetten. De meest kwetsbare kandidaat-huurders wonen vaak niet onafgebroken in een gemeente (vele verhuisbewegingen en/of ambtshalve schrappingen). Hierdoor komt een groep die altijd in de regio gewoond heeft, maar niet onafgebroken zijn adres had in één gemeente, terecht in de grote groep zonder lokale binding. In het kader van het lokale woonbeleid is dit niet wenselijk. We hopen dan ook dat kandidaat-huurders, ondanks vele verhuisbewegingen, toch in aanmerking komen indien ze een hoge lokale binding hebben met de gemeente. We willen aan de Vlaamse Overheid vragen om rekening te houden met deze bezorgdheid.
Artikel 40 e.v. van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
Het decreet van 9 juli 2021 houdende wijzigingen van diverse decreten met betrekking tot wonen, waarbij een regelgevend kader met betrekking tot de woonmaatschappijen wordt gecreëerd.
De gemeenteraad stelt voor om de stemrechten van de lokale besturen die deel uitmaken van het werkingsgebied in de algemene vergadering van de toekomstige woonmaatschappij te verdelen op basis van volgende criteria en met het hieronder bepaalde gewicht:
Criterium | Bron | Gewicht |
De verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen per gemeente | VMSW en Wonen-Vlaanderen (meest recente datareeks) | 60% |
De verhouding tussen het aantal huishoudens per gemeente | Statbel.fgov.be (meest recente datareeks) | 30% |
Het aantal m² bebouwbare reservegronden op het grondgebied van het lokaal bestuur | VMSW en Wonen-Vlaanderen (meest recente datareeks) | 10% |
| Totaal: 100% | |