De raad bepaalt in welke periode de personeelsleden hun inhaalrust moeten opnemen. Momenteel zijn er 3 referentieperiodes (februari tot mei, juni tot september en oktober tot januari) waarbinnen de personeelsleden hun inhaalrust moeten opnemen met uitzondering van de uren van de laatste 14 dagen en de uren onder 3u48 die overgezet worden naar de volgende referentieperiode. Door dit systeem hebben personeelsleden regelmatig te weinig tijd om hun inhaalrust op te nemen waardoor zij uitzondering vragen.
Aan de raad voor maatschappelijk welzijn van heden wordt een beperkte aanpassing van de rechtspositieregeling, namelijk de periode om inhaalrust op te nemen aan te passen naar 4 maanden vanaf de prestatie (wettelijk vastgelegde termijn), ter goedkeuring voorgelegd.
Het dossier werd gunstig geadviseerd door het vast bureau op 4 november 2019 en voorgelegd aan het Bijzonder Onderhandelings- en Overlegcomité op 29 november 2019.
Aan de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gevraagd het voorstel van wijziging van de rechtspositieregeling voor het OCMW-personeel goed te keuren.
De wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
De rechtspositieregeling voor bepaalde personeelsgroepen van het OCMW, vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn van 16 juni 2011, en alle latere wijzigingen.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en alle latere wijzigingen.
De beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 18 oktober 2018 houdende de vaststelling van de personeelsformatie, en alle latere wijzigingen.
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt eenparig het volgende besluit goed.
De raad voor maatschappelijk welzijn schrapt artikel 211 paragraaf 2 van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel:
"Indien de in paragraaf 1 vermelde extra inhaalrust toegekend wordt n.a.v. prestaties geleverd tijdens de laatste twee weken van de referentieperiode en niet kan worden opgenomen, wordt de extra inhaalrust overgedragen naar de volgende referentieperiode.
Indien de in paragraaf 1 vermelde extra inhaalrust op het einde van de referentieperiode minder dan een halve dagprestatie bedraagt en niet kan worden opgenomen, wordt de extra inhaalrust overgedragen naar de volgende referentieperiode."
De raad voor maatschappelijk welzijn wijzigt artikel 211 paragraaf 3 naar artikel 211 paragraaf 2 van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel.
De raad voor maatschappelijk welzijn schrapt in artikel 213 van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel:
"De referentieperiodes voor de opname van de inhaalrust zijn:
van 01 juni tot en met 30 september;
van 01 oktober tot en met 31 januari;
van 01 februari tot en met 31 mei."
De raad voor maatschappelijk welzijn schrapt artikel 214 paragraaf 2 van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel:
"Indien de in paragraaf 1 vermelde extra inhaalrust toegekend wordt n.a.v. prestaties geleverd tijdens de laatste twee weken van de referentieperiode en niet kan worden opgenomen, wordt de extra inhaalrust overgedragen naar de volgende referentieperiode.
Indien de in paragraaf 1 vermelde extra inhaalrust op het einde van de referentieperiode minder dan een halve dagprestatie bedraagt en niet kan worden opgenomen, wordt de extra inhaalrust overgedragen naar de volgende referentieperiode."
De raad voor maatschappelijk welzijn schrapt in artikel 214 paragraaf 3 en artikel 216 van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel de verwijzing naar de in artikel 213 vermelde referentieperiodes.